Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek

   HOME:
 

Achtergrond van het DNA-onderzoek

Hoe wordt DNA gebruikt voor verwantschaps-onderzoek of forensisch onderzoek?

Bij verwantschapsonderzoek en forensisch onderzoek wordt gebruik gemaakt van erfelijke kenmerken die vastliggen in het DNA. Doordat ieder persoon de helft van zijn of haar DNA erft van zijn of haar moeder en de andere helft van zijn of haar vader, heeft iedereen een uniek DNA-profiel (behalve eeneiige tweelingen, zij hebben hetzelfde DNA-profiel). Op deze manier kunnen DNA-profielen met elkaar worden vergeleken en kan bijvoorbeeld de verwantschap worden bepaald of wie de donor kan zijn van een op de plaats delict aangetroffen spoor.

De volgorde van de bouwstenen (A,T,C,G) in het DNA bepaalt de erfelijke informatie. In het DNA komen gebieden voor waarin een korte combinatie van bouwstenen zich een aantal maal herhaalt (bijvoorbeeld CCATCCATCCATCCAT). Zo'n herhaling wordt een Short Tandem Repeat (STR) genoemd. STRs komen enkel voor in het DNA wat zich in de celkern bevindt.

STRs vertonen grote variatie tussen verschillende personen. Een variatie wordt ook wel een allel genoemd. Allelen worden weergegeven met cijfers. Het cijfer staat voor het aantal keer dat het repeterend stukje DNA aanwezig is.

 

 

 


Per autosomale STR heeft ieder persoon twee gelijke of twee verschillende allelen. Per Y‑chromosomale STR heeft iedere man één allel (behalve voor de Y‑STR DYS385, waarvoor men één of twee allelen kan hebben).

In voorbeeld 1 en voorbeeld 2 zijn de allelen (variaties) van een STR weergegeven van een vader, een moeder en een kind. De vraag hier is of de vader voor deze STR de biologische vader van het kind kan zijn.
In voorbeeld 1 heeft het kind (de zoon) het allel 18 van zijn moeder en allel 14 van zijn vader gekregen. In voorbeeld 2 heeft het kind (de zoon) het allel 18 van zijn moeder gekregen. Maar allel 14 kan niet van deze vader afkomstig zijn.